Homilie bij de 5de zondag door het jaar A
Sinds de advent lezen we uit het evangelie volgens Matteüs. Van die Matteüs weten we dat hij zich met zijn evangelie ook en misschien wel vooral wilde richten tot diegenen die uit de Joodse traditie kwamen. Dat waren mensen voor wie de wet, de Tora, geen vodje papier was, maar wel de weg ten leven. En Matteüs wilde hen duidelijk maken dat de nieuwe wet die Jezus is komen brengen geen afbreuk doet aan de oude wet die voor hen zo heilig was. Jezus zegt het zelf: Hij is niet gekomen om de wet op te heffen, maar wel om hem tot vervulling te brengen. Geen jota of haaltje zal Hij aan de wet veranderen. Deze en volgende zondagen lezen we uit die nieuwe wet die Jezus (de nieuwe Mozes) is komen brengen. Normaal gezien hadden we in de liturgie van vorige zondag die nieuwe wet gehoord: de beroemde zaligsprekingen uit het vijfde hoofdstuk van Matteüs. Maar omdat 2 februari op een zondag viel, vierden we vorige week de liturgie van Lichtmis.
De zaligsprekingen uit de beroemde bergrede bij Matteüs gaan onmiddellijk vooraf aan het evangelie van vandaag: “Zalig de armen van geest…, zalig de treurenden…, zalig de zachtmoedigen…, zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid…, zalig de barmhartigen, de zuiveren van hart, die vrede brengen, die vervolgd worden om de gerechtigheid, zalig zijt gij wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil…” En meteen na die zaligsprekingen roept Jezus zijn leerlingen op om het zout der aarde te zijn en het licht der wereld. Wie leeft volgens de zaligsprekingen is als vanzelf zout der aarde, licht der wereld.
Ooit zei iemand: “Als men alle evangelieboeken ter wereld zou vernietigen, zou men het evangelie gemakkelijk opnieuw moeten kunnen schrijven, alleen door de christenen te zien leven!” Door hun manier van leven zouden de christenen het zout van de aarde, het licht van de wereld, de stad op de berg moeten zijn.
Als we op zondag rondkijken in onze kerken, dan beseffen we dat we stilaan een kleine minderheid geworden zijn. En dat kan ons misschien ontmoedigen om het zout van de aarde, het licht van de wereld te zijn. Maar, moeten we hiervoor met velen zijn? Ook in Jezus’ tijd vormden zijn volgelingen slechts een kleine groep in de samenleving en ook tot hen zegt Jezus: “Gij zijt het zout der aarde, het licht der wereld.” Je weet, zout moet je matig gebruiken. Te veel is niet alleen slecht voor de gezondheid maar ook voor de smaak van het voedsel. Een snuifje is al genoeg om het voedsel smaak te geven. En ook een klein beetje licht, het vuur van slechts één enkele lucifer, is voldoende om de volledige duisternis te doorbreken. Als Jezus dan spreekt van zout en licht spreekt Hij van iets dat op zich klein is, maar dat de kracht heeft om het geheel te veranderen. Zo hoeven we als christenen niet met velen te zijn om een teken van tegenspraak te zijn in een samenleving die wat rendabel, berekenbaar en beheersbaar is tot hoogste goed verheft en die onbeholpen is in de omgang met wat zwak, gebrekkig, ziek, niet rendabel en onaf is en dit het liefst van al uit de wereld wil gebannen zien. Hiertegenover prijst Jezus in zijn bergrede net de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen, de barmhartigen zalig (gelukkig)… net die eigenschappen die in onze ‘samen-leving’ minder van tel zijn.
En ook Paulus plaatst in zijn eerste Korintiërsbrief, waaruit we in de tweede lezing een fragment hebben gehoord, tegenover de logica van de wereld een geheel andere overtuiging: dat “wat voor de wereld zwak is, God heeft uitverkoren, om het sterke te beschamen. Wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf.” En vandaag schrijft Paulus in verband met de verkondiging dat hij zich “zwak, nerveus en angstig voelde”, maar dat zijn woorden juist hierdoor konden getuigen van “de kracht van de Geest”, van Gods kracht.
Is dit ook niet wat er schort in het euthanasiedebat dat recent weer is opgelaaid? Dat de westerse mens zich roemt op zichzelf? Dat hij handelt alsof hij zichzelf gemaakt heeft en daarom van oordeel is dat hij over leven en dood kan beschikken? Moeten wij als christenen in dit debat niet het zout der aarde en het licht der wereld zijn? Door erop te blijven hameren dat de mens een gave Gods is en dat daarom zijn leven heilig en onaantastbaar is? Door eraan te herinneren dat lijden en sterven bij het leven horen en dus volkomen ‘menselijk’ zijn? Dat de uitweg uit dat lijden niet bestaat in de actieve levensbeëindiging, maar wel in de taak van de zorgkundigen, maar ook van ons allen, om elkaar te helpen het lijden te verzachten of weg te nemen?
In een scherpe analyse in Tertio schrijft hoofdredacteur Van Lierde naar aanleiding van het recente euthanasieproces te Gent, dat het ons duidelijk maakt “dat de samenleving faalt in het omgaan met kwetsbare mensen, met lijden en dood.” Ja, onze samenleving is onbeholpen in de omgang met wat zwak, gebrekkig, ziek, niet rendabel en onaf is. Is iemand niet meer levensvatbaar als hij of zij niet meer aan de hoge normen van onze samenleving voldoet? En bestaat de menselijke kracht en schoonheid niet juist in het gegeven dat hij of zij onvolmaakt, klein, kwetsbaar en gebrekkig is, omdat juist hierdoor ruimte ontstaat voor Gods kracht? “Gelukkig de armen van geest, want zij zullen deelhebben aan Gods Rijk van liefde en vrede.” “Gelukkig de treurenden, want zij zullen Gods troost ervaren." “Zalig de barmhartigen, want zij zullen Gods barmhartigheid ondervinden.”
Maar ook: “Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil”. Hoe actueel, zeker als je bedenkt hoe de Kerk naar aanleiding van het recente euthanasieproces wordt verdacht gemaakt. Zij oefende zogezegd druk uit op het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan.
Wie het licht en het zout der wereld, wie Jezus trouw wil zijn en daardoor een teken van tegenspraak is, zal ook veel tegenspraak ondervinden. De leerling staat niet boven zijn meester. Dat mag ons niet weerhouden om af en toe onze nek uit te steken voor wat ons nauw aan het hart ligt zoals Jezus dat ook deed.
Kijk naar Hem. Dit was niet altijd gemakkelijk. Maar we geloven wel dat zijn weg niet stopte in de dood op een kruis maar dat in Hem de weg te vinden is naar het ware leven voor alle mensen.
zaterdag 8 februari 2020
dinsdag 4 februari 2020
Emmanuel Van Lierde in 'Tertio': "Vrijspraak geeft vrijbrief voor euthanasie"
Ook verdachtmakingen en intimidatie worden niet geschuwd om het zwijgen op te leggen, schrijft Tertio-hoofdredacteur Emmanuel Van Lierde. Lees zijn standpunt hier.
dinsdag 16 oktober 2018
woensdag 12 september 2018
Hildegard van Bingen over de Eucharistie en het priesterschap
Citaat uit de brief van Hildegard van Bingen waarin ze op indrukwekkend literaire wijze aandacht vraagt voor een juiste beleving van het sacrament van het priesterschap:
"Want zoals de mens, toen God hem uit het leem van de aarde vormde en zijn adem hem in het gezicht blies, onmiddellijk vlees en bloed werd, zo verandert dezelfde kracht van God de offergave van het brood, van de wijn en van het water op het altaar in het echte vlees en het echte bloed van Christus, mijn bruidegom, door de woorden van de priester, terwijl hij God aanroept. Dat kan de mens echter wegens de blindheid waarmee hij geslagen werd bij de val van Adam met zijn lichamelijke ogen niet zien."
(Uit: Hans Wilbrink, Leven en werk van Hildegard van Bingen.)
Het hoofd en de nek
"De man is het hoofd van het gezin,
de vrouw de nek: indien de nek
beweegt, beweegt het hoofd
automatisch mee."
Stellingnemer:
dr. Annet van Rijssen, Universiteit Groningen
zaterdag 8 september 2018
"Vrouwen, weest onderdanig aan uw man!"
Homilie bij de 22ste zondag door het jaar B
In het Evangelie van vandaag is Jezus verwikkeld in een dispuut met de Farizeeën en Schriftgeleerden. Jezus trekt heftig tegen hen van leer, omdat ze zich enkel en alleen focussen op uiterlijke bepalingen en niet op wat er in het hart van de mens omgaat. De voorbije week hebben zich ook tal van Schriftgeleerden gemeld: op sociale media, en zelfs in het Ministerie van Cultuur. Er was de ophef over het citaat uit de tweede lezing van vorige zondag, waar Paulus schrijft dat “de vrouw haar man in alles onderdanig moet zijn.” Er werd moord en brand geroepen door deze zelfverklaarde Schriftgeleerden. Er was zelfs de eis dat er eindelijk komaf moet worden gemaakt met het uitzenden van erediensten op de openbare omroep.
Mochten deze roeptoeters échte Schriftgeleerden geweest zijn, ze zouden geweten hebben dat teksten – en zeker Bijbelse geschriften – verschillende niveaus hebben. Er is wat er letterlijk staat en er is wat er bedoeld wordt. En de commotie is ontstaan, omdat sommigen niet voorbij een letterlijke lezing van de brief van Paulus raakten. Toegegeven, als je dit fragment uit de Efeziërsbrief onverkort op je toehoorders wil loslaten, is het ook aangewezen om in je preek de nodige uitleg te voorzien. Zo kan ook duidelijk worden dat het de tekst er niet om te doen is een aantal uiterlijke bepalingen te poneren of de vrouw van vandaag te vertellen dat ze onderdanig moet zijn aan haar man. Neen, zo kan, integendeel, de diepere betekenis van de tekst aan het licht gebracht worden: en die diepere betekenis is dat wij, zoals Christus, elkaar moeten liefhebben. Zoals Christus ons liefheeft, zo moeten ook wij niet alleen Christus, maar ook elkaar liefhebben en zo moeten ook man en vrouw elkaar liefhebben. En ter illustratie gebruikt de auteur de verhoudingen binnen het gezin van die tijd: de huisvader (de ‘pater familias’) voerde het gezag over alle leden van het gezin… dat was in die tijd zo, dat was tot voor enkele decennia in onze contreien ook zo. En dus moeten vrouwen onderdanig zijn aan hun man als aan de Heer. Want de man is het hoofd van het gezin – dus van de vrouw – zoals Christus het hoofd is van de Kerk.
Maar wat Paulus vervolgens schrijft in hetzelfde tekstfragment, dat wordt meestal over het hoofd gezien: “Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de Kerk heeft liefgehad.” Dat wil zeggen: “Mannen beschouw uw vrouw niet als uw bezit, speel over uw vrouw niet de baas, maar bejegen haar met liefde en eerbied!” Met andere woorden: het gehoorzamen aan je partner, het jezelf ten dienste stellen van je partner: dat is niet alleen een opdracht voor de vrouw, maar ook voor de man. En deze wederkerige gehoorzaamheid aan elkaar staat vandaag nog altijd centraal in de opvatting van de Kerk over het huwelijk: als een man en een vrouw met elkaar trouwen, dan moeten ze dat doen uit vrijheid, en dan worden ze geroepen om elkaar ‘onderdanig’ te zijn. Dat wil – iets beter vertaald – zeggen: de ander hoger achten dan jezelf, echt luisteren naar je partner, en jezelf te dienste stellen van zijn of haar geluk.
Samenvattend: het verschil tussen de interpretatie van de buitenkant, de letterlijke lezing, tegenover de binnenkant van de tekst heeft de voorbije week, opnieuw, voor heel wat verwarring en voor de nodige misvattingen gezorgd – al dan niet bewust…
We herkennen dit onderscheid ook in de manier waarop in het Evangelie de Farizeeën en Schriftgeleerden van toen Jezus en zijn leerlingen bejegenen. Ze kijken enkel naar de buitenkant – “waarom eten uw leerlingen met onreine handen?” – terwijl het Jezus precies om de binnenkant te doen is: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.” We mogen dit verwijt gerust lezen alsof het niet enkel tot de Farizeeën en Schriftgeleerden is gericht, maar ook tot ons. Is onze buitenkant de weerspiegeling van onze binnenkant? Strookt ons uiterlijk gedrag, ons spreken, doen en laten steeds met wat wij denken in ons hart? Zijn wij helder en oprecht?
Een paar weken geleden schreef paus Franciscus een brief over seksueel misbruik. De brief kwam er naar aanleiding van onthullingen over seksueel misbruik door priesters in Pennsylvania. De paus veroordeelt scherp de houding waarbij, zoals hij het formuleert, “de hartverscheurende pijn van de slachtoffers, die het uitschreeuwen tot in de hemel, lang werd genegeerd, stil gehouden, of het zwijgen opgelegd.” Schuld hieraan hebben de vertegenwoordigers van het instituut Kerk die zich vergrepen aan kinderen of die het misbruik toedekten. Maar wat opmerkelijk is, is dat de paus zich met zijn brief richt tot alle gelovigen in de hele wereld, dus tot ieder van ons. De paus roept iedere gelovige op tot een bekering van hart door een boetedoening van gebed en vasten. Meer dan met structurele verandering heeft bekering te maken met het hart – met innerlijke bekering – waaruit dan weer structurele veranderingen kunnen ontstaan. Want zoals uit het binnenste, het hart van de mensen, slechte dingen kunnen voortspruiten, zo komen uit het hart ook alle goede dingen die bijdragen tot een nieuwe cultuur – zoals onze paus het formuleert: een cultuur van zorg die “nooit meer!” zegt tegen elke vorm van misbruik.
Deze oproep tot bekering is dus tot alle gelovigen gericht. En dat fundeert de paus met de stellingname dat er geen bekering van de Kerk mogelijk is zonder de actieve deelname van alle leden van Gods Volk. De paus schrijft in zijn brief: “Op dit kwaad, dat zoveel levens verduisterde, kunnen we alleen maar samen antwoorden door het te beleven als een taak die ons allemaal aangaat, als het Volk van God. Dit besef deel uit te maken van een volk en een gedeelde geschiedenis zal ons in staat stellen om onze zonden en fouten uit het verleden te erkennen met een berouwvolle openheid die toelaat om van binnenuit vernieuwd te worden."
Zusters en broeders, niet alleen de slechte dingen, maar ook het goede begint in het hart. Laten we onze binnen- en buitenkant in overeenstemming brengen, dat is de oproep van het Evangelie van vandaag, dat is de oproep die de paus tot ieder van ons richt. Moge ieder van ons deze oproep ter harte nemen en mogen we elkaar hierin steunen.
(bronnen: klik hier en hier)
In het Evangelie van vandaag is Jezus verwikkeld in een dispuut met de Farizeeën en Schriftgeleerden. Jezus trekt heftig tegen hen van leer, omdat ze zich enkel en alleen focussen op uiterlijke bepalingen en niet op wat er in het hart van de mens omgaat. De voorbije week hebben zich ook tal van Schriftgeleerden gemeld: op sociale media, en zelfs in het Ministerie van Cultuur. Er was de ophef over het citaat uit de tweede lezing van vorige zondag, waar Paulus schrijft dat “de vrouw haar man in alles onderdanig moet zijn.” Er werd moord en brand geroepen door deze zelfverklaarde Schriftgeleerden. Er was zelfs de eis dat er eindelijk komaf moet worden gemaakt met het uitzenden van erediensten op de openbare omroep.
Mochten deze roeptoeters échte Schriftgeleerden geweest zijn, ze zouden geweten hebben dat teksten – en zeker Bijbelse geschriften – verschillende niveaus hebben. Er is wat er letterlijk staat en er is wat er bedoeld wordt. En de commotie is ontstaan, omdat sommigen niet voorbij een letterlijke lezing van de brief van Paulus raakten. Toegegeven, als je dit fragment uit de Efeziërsbrief onverkort op je toehoorders wil loslaten, is het ook aangewezen om in je preek de nodige uitleg te voorzien. Zo kan ook duidelijk worden dat het de tekst er niet om te doen is een aantal uiterlijke bepalingen te poneren of de vrouw van vandaag te vertellen dat ze onderdanig moet zijn aan haar man. Neen, zo kan, integendeel, de diepere betekenis van de tekst aan het licht gebracht worden: en die diepere betekenis is dat wij, zoals Christus, elkaar moeten liefhebben. Zoals Christus ons liefheeft, zo moeten ook wij niet alleen Christus, maar ook elkaar liefhebben en zo moeten ook man en vrouw elkaar liefhebben. En ter illustratie gebruikt de auteur de verhoudingen binnen het gezin van die tijd: de huisvader (de ‘pater familias’) voerde het gezag over alle leden van het gezin… dat was in die tijd zo, dat was tot voor enkele decennia in onze contreien ook zo. En dus moeten vrouwen onderdanig zijn aan hun man als aan de Heer. Want de man is het hoofd van het gezin – dus van de vrouw – zoals Christus het hoofd is van de Kerk.
Maar wat Paulus vervolgens schrijft in hetzelfde tekstfragment, dat wordt meestal over het hoofd gezien: “Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de Kerk heeft liefgehad.” Dat wil zeggen: “Mannen beschouw uw vrouw niet als uw bezit, speel over uw vrouw niet de baas, maar bejegen haar met liefde en eerbied!” Met andere woorden: het gehoorzamen aan je partner, het jezelf ten dienste stellen van je partner: dat is niet alleen een opdracht voor de vrouw, maar ook voor de man. En deze wederkerige gehoorzaamheid aan elkaar staat vandaag nog altijd centraal in de opvatting van de Kerk over het huwelijk: als een man en een vrouw met elkaar trouwen, dan moeten ze dat doen uit vrijheid, en dan worden ze geroepen om elkaar ‘onderdanig’ te zijn. Dat wil – iets beter vertaald – zeggen: de ander hoger achten dan jezelf, echt luisteren naar je partner, en jezelf te dienste stellen van zijn of haar geluk.
Samenvattend: het verschil tussen de interpretatie van de buitenkant, de letterlijke lezing, tegenover de binnenkant van de tekst heeft de voorbije week, opnieuw, voor heel wat verwarring en voor de nodige misvattingen gezorgd – al dan niet bewust…
We herkennen dit onderscheid ook in de manier waarop in het Evangelie de Farizeeën en Schriftgeleerden van toen Jezus en zijn leerlingen bejegenen. Ze kijken enkel naar de buitenkant – “waarom eten uw leerlingen met onreine handen?” – terwijl het Jezus precies om de binnenkant te doen is: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.” We mogen dit verwijt gerust lezen alsof het niet enkel tot de Farizeeën en Schriftgeleerden is gericht, maar ook tot ons. Is onze buitenkant de weerspiegeling van onze binnenkant? Strookt ons uiterlijk gedrag, ons spreken, doen en laten steeds met wat wij denken in ons hart? Zijn wij helder en oprecht?
Een paar weken geleden schreef paus Franciscus een brief over seksueel misbruik. De brief kwam er naar aanleiding van onthullingen over seksueel misbruik door priesters in Pennsylvania. De paus veroordeelt scherp de houding waarbij, zoals hij het formuleert, “de hartverscheurende pijn van de slachtoffers, die het uitschreeuwen tot in de hemel, lang werd genegeerd, stil gehouden, of het zwijgen opgelegd.” Schuld hieraan hebben de vertegenwoordigers van het instituut Kerk die zich vergrepen aan kinderen of die het misbruik toedekten. Maar wat opmerkelijk is, is dat de paus zich met zijn brief richt tot alle gelovigen in de hele wereld, dus tot ieder van ons. De paus roept iedere gelovige op tot een bekering van hart door een boetedoening van gebed en vasten. Meer dan met structurele verandering heeft bekering te maken met het hart – met innerlijke bekering – waaruit dan weer structurele veranderingen kunnen ontstaan. Want zoals uit het binnenste, het hart van de mensen, slechte dingen kunnen voortspruiten, zo komen uit het hart ook alle goede dingen die bijdragen tot een nieuwe cultuur – zoals onze paus het formuleert: een cultuur van zorg die “nooit meer!” zegt tegen elke vorm van misbruik.
Deze oproep tot bekering is dus tot alle gelovigen gericht. En dat fundeert de paus met de stellingname dat er geen bekering van de Kerk mogelijk is zonder de actieve deelname van alle leden van Gods Volk. De paus schrijft in zijn brief: “Op dit kwaad, dat zoveel levens verduisterde, kunnen we alleen maar samen antwoorden door het te beleven als een taak die ons allemaal aangaat, als het Volk van God. Dit besef deel uit te maken van een volk en een gedeelde geschiedenis zal ons in staat stellen om onze zonden en fouten uit het verleden te erkennen met een berouwvolle openheid die toelaat om van binnenuit vernieuwd te worden."
Zusters en broeders, niet alleen de slechte dingen, maar ook het goede begint in het hart. Laten we onze binnen- en buitenkant in overeenstemming brengen, dat is de oproep van het Evangelie van vandaag, dat is de oproep die de paus tot ieder van ons richt. Moge ieder van ons deze oproep ter harte nemen en mogen we elkaar hierin steunen.
(bronnen: klik hier en hier)
Abonneren op:
Posts (Atom)

